Nobelprijs voor de kunstgeschiedenis


Kunstgeschiedenis wordt niet vaak genoemd als geslaagd Nederlands exportproduct. Hoe onterecht. Minstens vier grote golven van invloed die in voorafgaande decennia over de kunsthistorische wereld spoelden, hadden hier hun oorsprong: 1. De studie van verborgen betekenissen in taferelen van alledag (Eddy de Jongh); 2. Het gebruik van infraroodreflectografie om de ondertekening op paneelschilderijen zichtbaar te maken (Dolf van Asperen de Boer); 3. De economische kunstgeschiedenis (de honoraire Nederlander Michael Montias, Ad van der Woude, Marten Jan Bok); 4. Het connoisseurschap in teamverband (het Rembrandt Research Project). Al deze pioniersarbeid heeft de manier van werken van honderden collega's over de hele wereld beïnvloed. Als er een Nobelprijs voor kunstgeschiedenis bestond, dan zouden deze mensen allemaal naast hun telefoon zitten, deze maand. (Montias niet meer, helaas. Hij overleed drie maanden geleden.)

Vandaag wil ik nog een kandidaat aan de lijst toevoegen, de auteur van een publicatie uit 1975, rijp dus voor de Prijs. De studie ontstond in dezelfde denktank als enkele van Eddy de Jonghs klassieke artikelen: het Centrum voor Kunsthistorisch Onderzoek van de Universiteit Utrecht, waar prof. dr J.G. van Gelder leiding aan gaf.



Mijn genomineerde is Derk P. Snoep, die daar begin jaren zeventig een kamer deelde met De Jongh. Snoep werkte ook aan symboliek in Nederlandse kunst maar dan aan de andere zijde van het spectrum. Geen verborgen betekenissen in alledaagse tafereeltjes, maar de evident symbolische en allegorische betekenissen van zeer onalledaagse ontvangsten ontworpen voor regeerders door regenten. Geen gewone werkjes voor de gewone man, maar uitzonderlijke gebeurtenissen in het leven van de machtigen der aarde. Snoeps proefschrift, Praal en propaganda: triumfalia in de noordelijke Nederlanden in de 16de en 17de eeuw, abrengt alle bekende feiten die met deze intochten te maken hebben bijeen en interpreteert die. Het is pioniersarbeid van blijvende waarde.

Naast het uitnemende wetenschappelijke kaliber, komt Praal en propaganda in aanmerking voor de Prijs vanwege het intrinsieke belang van het onderwerp. In de ogen van de opdrachtgevers en kunstenaars die deze triomfale intochten schiepen, waren ze van onmetelijk groter maatschappelijk gewicht en intellectuele diepgang dan de genrestukken van een Pieter de Hooch of Johannes Vermeer. Bovendien waren ze van groot internationaal belang: Hollandse steden en de Republiek positioneerden zich ermee op hetzelfde niveau als de buitenlandse vorsten die zo glorierijk werden binnengehaald. Denk slechts aan de Blijde Inkomste van Maria de Medici, een gebeurtenis waarmee de stadstaat Amsterdam zich in 1638 politiek op de wereldkaart zette.

Vergeleken met het geld en de moeite die in deze feestelijkheden werd gestoken, is de genreschilderkunst - laag op de ladder der beeldende kunsten - een bleke schim. En dat geldt niet alleen voor de objecten als zodanig, maar ook voor de symboliek. Complete boekwerken, hele heldendichten werden geschreven om de symboliek van de triumfalia tot in detail te verklaren. Niet één druppel inkt werd daarentegen vergoten voor de verborgen betekenissen in genreschilderijen.

Als voetnoot bij deze aanbeveling een algemene vraag: in welke mate mag men van hedendaagse kunsthistorici verlangen dat zij rekening houden met het expliciete waardenstelsel van de cultuur die zij bestuderen?


Gary Schwartz 2005. Gepubliceerd in Loekie Schwartz’s kolom in Het Financieele Dagblad, 15 October 2005, p. 21.