Oud-directeur Derk P. Snoep overleden


In memoriam Derk P. Snoep (1935 – 2005)
Veelzijdig museumman

Op 27 oktober jl. overleed de oud-directeur van het Frans Hals Museum dr. Derk P. Snoep in zijn woonplaats Haarlem. Zeventien jaar lang – van 1983 tot 2000 - leidde hij met zeer creatieve en dynamische hand het museum: een periode vol uiteenlopende tentoonstellingen, talloze restauratieprojecten, de stichting van de Verweyhal en vele andere activiteiten. Een terugblik op een belangrijke periode uit de geschiedenis van het museum.

Derk Persant Snoep werd in 1935 geboren in Bloemendaal. Na korte tijd bij de Rotterdamse Lloyd te hebben gewerkt, begon hij in 1957 aan de studie kunstgeschiedenis te Utrecht. In 1975 volgde zijn promotie aldaar, met de dissertatie ‘Praal en propaganda. Triumfalia in de Noordelijke Nederlanden in de 16de en 17de eeuw’. Sindsdien zouden nog verscheidene publicaties van zijn hand verschijnen, onder anderen over Gerard Lairesse. Snoep was ook medeoprichter van het, al spoedig gezaghebbende, kunsthistorische tijdschrift Simiolus. In 1971 nam zijn museale loopbaan een aanvang in het Centraal Museum in Utrecht, waar hij conservator werd. ‘Daar heb ik de praktijk van het museumwezen leren kennen, zonder er iets van te voren over te weten’, vertelde hij later.
Na twaalf jaren solliciteerde hij op de vacature voor museumdirecteur in het Frans Hals Museum, nadat Dick Couvée daar met pensioen was gegaan. Vanaf 1983 tot 2000, toen Snoep op zijn beurt met pensioen ging, heeft hij zich met een indrukwekkende energie ingezet om het Frans Hals Museum nog beter op de (inter)nationale museumkaart te zetten. Snoeps kunsthistorisch-wetenschappelijke achtergrond en instelling, waarmee hij zich onderscheidde van zijn voorgangers, zou in sterke mate bepalend worden voor zijn beleid. Zo startten onder Snoep de voorbereidingen voor een uitvoerige wetenschappelijke catalogus van de collectie oude kunst, waarvan de verschijning in 2006 verwacht wordt. Ook over de collectie moderne kunst verscheen, in 1999, een uitgebreid collectieboek.
Verder hadden professionele, op degelijk onderzoek gefundeerde restauratie en conservering van de collectie onder Snoep hoge prioriteit. De eigen restauratieafdeling kreeg dankzij publicaties en hoog opgevoerde deskundigheid een internationale naam, ook als opleidingsinstituut. Met speciale exposities over de resultaten, en openbare restauraties, zette het museum op dit gebied zelfs een nieuwe trend in ons land. Ook de wetenschappelijke verantwoording bij tal van exposities oude én moderne kunst, door middel van nieuw onderzoek en catalogi, stond bij Snoep steeds hoog op de agenda. In samenwerking met kunsthistorische vakgroepen en andere externe onderzoekers ontstonden zo tal van wetenschappelijke tentoonstellingen, waarvan de catalogi gezaghebbend werden. Sprekende voorbeelden daarvan zijn ‘Portretten van echt en trouw’ (1986), ‘Schutters in Holland’ (1988), ‘Frans Hals’ (1990), ‘Judith Leyster’ (1993) en ‘Aardse Paradijzen I en II’ (1996 en 1999). Dit geldt evenzeer voor Snoeps afscheidstentoonstelling ‘Kinderen op hun mooist. Het kinderportret in de Nederlanden, 1500-1700’ (2000), die een enorme publiekstrekker werd. Een aantal exposities ontstond binnen een internationaal samenwerkingsverband. Internationale oriëntatie bleek ook uit de keuze om enkele malen collectiedelen naar het buitenland te laten reizen (Japan, Spanje).
Nieuw in Nederland-museumland was de grote aandacht die het Frans Hals Museum onder Snoep besteedde aan professionele, vernieuwende vormgeving van tentoonstellingen. Het kwam zelfs tot een ‘Frans Halsprijs voor Tentoonstellingsvormgeving’, die enkele malen is uitgereikt. Het experiment werd bij dit alles niet geschuwd. De grote behoefte aan durf en variatie in alles wat het museum betrof, bleek ook uit de regelmatige herzieningen van de ‘vaste’ museuminrichting, uit de vernieuwing van de entree en de museumwinkel, alsook uit veel kleinere zaken zoals de keuze om het eigen museumbulletin ieder nummer weer anders te laten vormgegeven.
Educatie, en publieksbegeleiding in ruime zin, stonden niet minder hoog op het lijstje van aandachtspunten in de periode Snoep. Dit had niet alleen zijn neerslag op de tentoonstellingen, die meestal zeer publiekgericht werden ingericht en begeleid. Ook tal van publieksevenementen en voor uiteenlopende bezoekersgroepen aansprekende producten kregen hun beslag. Werving van nieuwe, potentiële publieksgroepen werd actief ter hand genomen. Bij dit alles werd de nieuwe wind van de automatisering, die sinds de jaren 1980 in museumland waaide, zonder aarzeling verwelkomd. Een geautomatiseerde collectieregistratie was een van de opvallendste resultaten hiervan.
Een belangrijk wapenfeit uit de periode-Snoep is nog de in 1993 geopende, geheel als moderne expositieruimte ingerichte Verweyhal aan de Grote Markt. Daar wordt sindsdien ook de grote nalatenschap van de Haarlemse schilder Kees Verwey beheerd. Diverse tentoonstellingen van moderne kunst kwamen eveneens in deze nieuwe hal tot stand, onder meer over Henri LeFauconnier en over Nederlandse beeldhouwkunst 1900-1960. Op het gebied van eigentijdse kunst kwamen exposities van de grond over Vlaamse kunst, kunst van Haarlemse kunstenaarsverenigingen, maar ook van stripverhalen en illustratiekunst (Theo van den Boogaard; Dick Bruna). Kinderen kregen geregeld speciale aandacht, onder meer met de expositie ‘Kinderen kiezen kunst’ waarvoor scholieren zelf objecten uit het depot kozen en becommentarieerden.
Snoep was verder mede-initiator van de Vereniging van Vrienden van het Frans Hals Museum (opgericht in 1987), die al spoedig de grootste museale vriendenvereniging van het land werd. Door Snoeps contacten met de Vriendenvereniging en met tal van sponsors uit het bedrijfsleven werden de mogelijkheden voor het museum op gebieden als collectievorming, exposeren en restaureren aanzienlijk uitgebreid.
Snoeps zeventien jaren museumdirectoraat hebben ontelbare sporen nagelaten, en het Frans Hals Museum naar de 21ste eeuw getild. Binnen en buiten de Nederlandse museumwereld was Snoep actief in tal van commissies en organisaties. Zo was hij enige tijd voorzitter van het Restauratorencollectief, en jarenlang bestuurslid van de Historische Vereniging Haerlem. Met zijn overlijden is een veelzijdig, initiatiefrijke en toegewijde voorman uit de Nederlandse museumwereld heengegaan.